De slimme oplossingen van 2521 Gewoon Zwemmen - Sportaccom 1 april 2019
Ruim vier jaar geleden opende Pieter van den Hoogenband in Alblasserdam het eerste '2521'- bad, waarmee de KNZB terugkeerde naar de eenvoud van het sporten en het leren zwemmen. Het project '2521 Gewoon Zwemmen' lijkt niet meer dan een bak water, maar het concept is hoogwaardig, innovatief en duurzaam. Bovendien kan de exploitatie van deze moderne zwembaden in een slim, nieuw gebouw door verenigingen (deels) geëxploiteerd worden. Na enkele projecten in binnen- en buitenland bekijkt 2521 Gewoon Zwemmen nu ook de mogelijkheden voor de zaalsporten.
Dispensatie
In 2009 deed de KNZB een onderzoek onder alle aangesloten zwemverenigingen naar het tekort aan geschikt badwater, waar een cijfer uitkwam van twintig procent, vertelt Sander ten Broek van 2521 Gewoon Zwemmen. ”Daarnaast voldeden veel zwembaden ook niet aan de regels die de internationale zwembonden stellen, waardoor deze in principe niet geschikt waren voor officiële competities of wedstrijden. De KNZB moet regelmatig dispensatie verlenen, maar die regels zijn er niet voor niets. Intussen constateerden we dat veel outdoor-sporten zoals voetbal-, hockey- en tennisclubs hun accommodatie in combinatie met een kantine runnen, terwijl zwemverenigingen in vrijwel alle gevallen huren van een gemeente of een commerciële exploitant. Dat is een keuze, die helemaal niet verkeerd is, maar waarschijnlijk niet de goedkoopste oplossing.”
Masterplan
Daarop is de bond met een aantal specialisten om de tafel gaan zitten om te kijken hoe de exploitatie door zwemverenigingen toch mogelijk is. ”Welk type zwembad hebben we daarvoor nodig? Daarop is die exploitatie als uitgangspunt genomen ten opzichte van de bouwkosten. Alles wat ten gunste is van de exploitatie hebben we toegevoegd aan het concept. Niet het gebouw stond voorop, maar een exploitatiemodel over veertig jaar met daarnaast de professionalisering van de zwemvereniging en de capaciteitsvergroting van het badwater als doel. Uit deze gegevens heeft de KNZB een masterplan opgesteld met een onderverdeling in vier scenario's, variërend van de vereniging als huurder tot de vereniging als exploitant en alles daar tussenin. 2521 Gewoon Zwemmen is de uitkomst van scenario vier, waarin de zwemclub exploitant zou kunnen zijn.”
'Nice to have'
In dat scenario past de bouw van slimme zwembaden, die minder afhankelijk zijn van publiek geld, terwijl het gebruik maakt van de lokale betrokkenheid en expertise. "De goedlopende zwembaden in ons land, zijn de baden waarin veel lokaal organiserend vermogen is. Daaromheen heb je een schil van professionaliteit nodig voor de schoonmaak, de techniek en het kantinebeheer, die de club uitbesteedt. Daarbij hebben we vooral de vier grote kostenposten bekeken: kapitaallasten, personeel, onderhoud en energie. Bij het modelontwerp stelden we alle facetten van de accommodatie ter discussie. Ten eerste zijn de 'fun'-elementen geschrapt om de verenigingen te helpen in de exploitatie. Voor het gebruik stelden we de vereniging, het leszwemmen, doelgroepactiviteiten en het baantjes zwemmen voorop, omdat daarvoor de kostprijs per persoon het laagst is. Ook zijn dit de traditionele en terugkerende doelgroepen. Dat biedt het zwembad een solide basis voor de komende jaren.”
Tweede bestemming
Daaruit volgde het ontwerp van het gebouw. "Zo duurzaam mogelijk, maar beredeneerd vanuit de exploitatie. Ten eerste kwam het bad boven het maaiveld te liggen, hetgeen zes maanden bouwtijd bespaart. De isolerende schil kreeg de hoogst mogelijke RC- waarde van acht tot tien. Daarnaast kan het gebouw later een tweede bestemming krijgen. Het zwembad kan er desgewenst uit, waarna een bedrijfsgebouw of een sportzaal overblijft. Bij de constructie maken we het gebouw zo snel mogelijk wind- en waterdicht via houtskeletbouw en geprefabriceerde elementen, die zoveel mogelijk rechtstreeks uit de fabriek komen. Daarmee kun je fouten op de bouwplaats zoveel mogelijk voorkomen. Daarna krijgt het gebouw aan de buitenkant een waterkering en een dakbedekking met als optie een sedumdak of geïntegreerde zonnepanelen. Vanuit de exploitatie bekeken moet ik wel zeggen, dat die panelen helaas niet genoeg opleveren voor een energieneutraal gebouw. We hebben wel eens berekend dat vier tot vijf voetbalvelden met zonnepanelen nodig zijn voor de energiebehoefte van zelfs ons efficiënt ingerichte en goed geïsoleerde zwembad, kortom alleen een dak vol is onvoldoende.”
Dispensatie
In 2009 deed de KNZB een onderzoek onder alle aangesloten zwemverenigingen naar het tekort aan geschikt badwater, waar een cijfer uitkwam van twintig procent, vertelt Sander ten Broek van 2521 Gewoon Zwemmen. ”Daarnaast voldeden veel zwembaden ook niet aan de regels die de internationale zwembonden stellen, waardoor deze in principe niet geschikt waren voor officiële competities of wedstrijden. De KNZB moet regelmatig dispensatie verlenen, maar die regels zijn er niet voor niets. Intussen constateerden we dat veel outdoor-sporten zoals voetbal-, hockey- en tennisclubs hun accommodatie in combinatie met een kantine runnen, terwijl zwemverenigingen in vrijwel alle gevallen huren van een gemeente of een commerciële exploitant. Dat is een keuze, die helemaal niet verkeerd is, maar waarschijnlijk niet de goedkoopste oplossing.”
Masterplan
Daarop is de bond met een aantal specialisten om de tafel gaan zitten om te kijken hoe de exploitatie door zwemverenigingen toch mogelijk is. ”Welk type zwembad hebben we daarvoor nodig? Daarop is die exploitatie als uitgangspunt genomen ten opzichte van de bouwkosten. Alles wat ten gunste is van de exploitatie hebben we toegevoegd aan het concept. Niet het gebouw stond voorop, maar een exploitatiemodel over veertig jaar met daarnaast de professionalisering van de zwemvereniging en de capaciteitsvergroting van het badwater als doel. Uit deze gegevens heeft de KNZB een masterplan opgesteld met een onderverdeling in vier scenario's, variërend van de vereniging als huurder tot de vereniging als exploitant en alles daar tussenin. 2521 Gewoon Zwemmen is de uitkomst van scenario vier, waarin de zwemclub exploitant zou kunnen zijn.”
'Nice to have'
In dat scenario past de bouw van slimme zwembaden, die minder afhankelijk zijn van publiek geld, terwijl het gebruik maakt van de lokale betrokkenheid en expertise. "De goedlopende zwembaden in ons land, zijn de baden waarin veel lokaal organiserend vermogen is. Daaromheen heb je een schil van professionaliteit nodig voor de schoonmaak, de techniek en het kantinebeheer, die de club uitbesteedt. Daarbij hebben we vooral de vier grote kostenposten bekeken: kapitaallasten, personeel, onderhoud en energie. Bij het modelontwerp stelden we alle facetten van de accommodatie ter discussie. Ten eerste zijn de 'fun'-elementen geschrapt om de verenigingen te helpen in de exploitatie. Voor het gebruik stelden we de vereniging, het leszwemmen, doelgroepactiviteiten en het baantjes zwemmen voorop, omdat daarvoor de kostprijs per persoon het laagst is. Ook zijn dit de traditionele en terugkerende doelgroepen. Dat biedt het zwembad een solide basis voor de komende jaren.”
Tweede bestemming
Daaruit volgde het ontwerp van het gebouw. "Zo duurzaam mogelijk, maar beredeneerd vanuit de exploitatie. Ten eerste kwam het bad boven het maaiveld te liggen, hetgeen zes maanden bouwtijd bespaart. De isolerende schil kreeg de hoogst mogelijke RC- waarde van acht tot tien. Daarnaast kan het gebouw later een tweede bestemming krijgen. Het zwembad kan er desgewenst uit, waarna een bedrijfsgebouw of een sportzaal overblijft. Bij de constructie maken we het gebouw zo snel mogelijk wind- en waterdicht via houtskeletbouw en geprefabriceerde elementen, die zoveel mogelijk rechtstreeks uit de fabriek komen. Daarmee kun je fouten op de bouwplaats zoveel mogelijk voorkomen. Daarna krijgt het gebouw aan de buitenkant een waterkering en een dakbedekking met als optie een sedumdak of geïntegreerde zonnepanelen. Vanuit de exploitatie bekeken moet ik wel zeggen, dat die panelen helaas niet genoeg opleveren voor een energieneutraal gebouw. We hebben wel eens berekend dat vier tot vijf voetbalvelden met zonnepanelen nodig zijn voor de energiebehoefte van zelfs ons efficiënt ingerichte en goed geïsoleerde zwembad, kortom alleen een dak vol is onvoldoende.”
Dertig procent besparing
”Verder hebben we één multifunctionele bak met water aangelegd, waarin we met de beweegbare bodem en toepassingen zoals wedstrijden en leszwemmen kunnen variëren. Dat bespaart ons de aanleg en het onderhoud van één extra bad met de bijbehorende installaties, terwijl we door een slim geplaatst trommelfilter ook zuinig met water kunnen zijn. Dat scheelt zo'n dertig procent in de jaarlijkse energiekosten. Het bad zelf is een gecoate stalen constructie, die aan de binnenkant wit of lichtblauw gelamineerd is, waardoor het water ook blauw lijkt. In Rusland kregen we van een opdrachtgever een verzoek voor zwarte en goudkleurig wanden, ook dat is zelfs mogelijk. Hier is dat geen optie, want vanwege de veiligheid moeten de badmeesters door het water heen kunnen kijken. Verder denkend hebben we inmiddels op papier ook een CO2-neutraal model met eventueel de gasaansluiting als uiterste back-up ontwikkeld. Die is alleen in noodgevallen nodig. Bedrijfseconomisch gezien kunnen we op dit moment geen duurzamer maatregelen meer vinden.”
Keerwand voor de temperatuur
”Vervolgens hebben we gekeken naar de beweegbare bodem. Dat is niets nieuws, maar we besloten deze wel een kwartslag te draaien van de breedte naar de lengte van het bad. De verstelbare bodem bestrijkt dan drie lengtebanen, waardoor de overige vijf beschikbaar blijven voor bijvoorbeeld baanzwemmers. Dan krijg je een heel groot instructiebad, dat je door lijnen kunt splitsen voor verschillende activiteiten. Aquajoggers trainen op een bodem van 1,40m naast het kinderbadje, terwijl daarnaast de zwemclub zijn baantjes trekt in diep water, bijvoorbeeld. Helemaal niet revolutionair, maar wel functioneel en effectief. Verder is een keerwand in het water mogelijk, die omhoogkomt op het moment wanneer we bijvoorbeeld een deel van het bad een andere temperatuur willen geven. Sommige activiteiten, bijvoorbeeld met ouderen, vereisen iets warmer water. Dat kun je dan heel gericht sturen met minimaal extra energieverbruik.”
Transparantie
”In de plint van het gebouw houden we zo'n tweehonderdvijfenzeventig vierkante meter over, waar je een nadere bestemming voor kunt zoeken. Dit is bij de bestaande projecten op verschillende manieren ingevuld. In Culemborg heeft een fysiotherapeut daar zijn behandelruimte, terwijl Alblasserdam dat als een multifunctionele ruimte voor kinderopvang of voor vergaderingen ingericht heeft. Op de eerste verdieping kom je bij de receptie met daarnaast de keuken en de horecaruimte, de entree en de ruimte voor badmeesters. Een transparante wand scheidt deze sectie af van de waterbak met de kleedhokjes, waardoor we het hele zwembad gemakkelijk met twee mensen kunnen beheersen. Als ieder in één hoek staat, dan bestrijken ze met hun gezichtsveld de volledige ruimte. Door de transparantie is alles in het gebouw te volgen.”
250 vrijwilligers
”Bij het nieuwe bad in het Friese Workum, dat dit jaar opengaat, is een stichting opgezet, die onder andere de inzet van tweehonderdvijftig vrijwilligers gaat organiseren.”, vertelt Sander ten Broek verder. ”Wij adviseren daar met de kennis van de andere zwembaden met dit concept. Het oude zwembad ‘de Rolpeal’ was aan vervanging toe, maar de gemeente had daarvoor onvoldoende budget. Via het burgerinitiatief verminderden de exploitatiekosten, terwijl de 2521-systemen een lager bouwprijs hebben dan de gebruikelijke zwembaden. Dat bracht de nieuwbouw binnen bereik. In Workum hebben we een koppeling gemaakt tussen een nieuwe sporthal naast het zwembad. Daardoor kunnen bezoekers van beide accommodaties en van de voetbalvereniging waarvan de kleedkamers ook in het gebouw liggen, gebruik maken van één horecagedeelte, ontmoetingsruimte en verkeersruimte en besparen we behoorlijk op vierkante meters. In Alblasserdam, ons eerste project, is het zwembad tegen een bestaande sporthal gebouwd, zodat ook daar het horecagedeelte beide accommodaties kan verzorgen.”
Win-win-win-situatie
”Enige tijd terug zijn we gevraagd door de volleybalbond om hen te helpen bij het nadenken over eigen accommodaties voor verenigingen. Zij constateerde toenemende problemen bij de programmering van zaalsporten. Met onze brede achtergrond in het sport- en procesmanagement was de stap naar het slim aanleggen van indooraccommodaties best logisch. Twee jaar geleden maakten we het project 'Meer zeggenschap binnen de eigen accommodatie', waarbij we de nadruk hebben gelegd op samenwerking tussen de vereniging, de exploitant en de gemeente. Zoeken naar een win-win-win-situatie voor alle partijen, die vanuit de individuele gezichtspunten niet voor de hand liggen of zelfs lijnrecht tegenover elkaar kunnen staan. Met de zaalsportbonden zijn we gaan kijken naar de bestaande wedstrijd- en trainingsreglementen die gebouwgebonden zijn. Daarbij stelden we de vraag wat de achtergronden zijn van die regels en zijn ze nog in alle situaties functioneel? Vroeger had iedere bond vaste normen, die uitgingen van een inrichting voor het hoogste niveau in hun sport. Wij vroegen ons vervolgens af of een hal voor een club in de vierde klasse ook twaalf meter hoog moet zijn of is zeven meter ook voldoende?”
Website met de eisen
”Met de zaalsportbonden hebben we vele discussies gevoerd die gevolgen hebben voor de bouw van een accommodatie. Daaruit is een website voortgekomen met alle reglementeringen, die dit voorjaar online gaat. Met één druk op de knop krijgt de bezoeker van de site een programma van eisen te zien vanuit de verschillende takken van sport. Denk aan een gemeente met een handbalclub in de vierde klasse onderbond, eredivisie volleybal, eerste divisie badminton, met daarbij het aantal deelnemende teams. Die kan zo heel snel een advies krijgen aan welke eisen zijn accommodatie moet voldoen op basis van de reglementen van de bonden. Nog te vaak spreken we gemeentes die in hun nieuwe sporthal baskets willen hebben en ook de belijning voor basketbal, terwijl de sport daar niet in clubverband beoefend wordt. Gaan jullie dat ooit gebruiken, vragen we dan. "Misschien wel. " Het zijn wel extra kosten en in onze ogen niet altijd erg effectief. Een ander voorbeeld is de ‘vrije uitloopruimte’ rond de zijlijnen van het veld. Die is van oudsher voor veel zaalsporten anderhalve meter. Intussen gebruiken we allerlei nieuwe, veiliger materialen voor de wanden, waardoor we ons afvragen of die afstand nog wel nodig is.”
Onleesbaar
De website is een instrument om gemeenten te helpen om inzichtelijk te krijgen wat de sportbonden ooit aan reglementering bedacht hebben, legt Ten Broek uit. ”Vroeger hadden deze een aparte afdeling Sportzaken, maar door bezuinigingen is de kennis op het gebied van sport en accommodatie daar flink afgenomen. Het 'handboek Sportaccommodatie' is voor ons als adviseurs al bijna onleesbaar, laat staan dat een architect daaruit een vertaalslag kan maken naar een bruikbaar gebouw. Vaak nemen gemeentes daarom een bestaand model over. Wij willen de keuzes inzichtelijk maken door de consequenties in de bouwkosten daaraan te koppelen. Daarmee zou je ook kunnen kijken of de toevoeging van die bovengenoemde niet-noodzakelijke baskets in de nieuwe hal wellicht toch binnen het budget passen. Dan kun je een weloverwogen afweging maken op basis van de cijfers. Ik verwacht dat we met deze rekenmethode tonnen kunnen besparen op de kosten van een nieuwe hal voor de zaalsporten, maar ook voor het bewegingsonderwijs dat in de afgelopen decennia flink veranderd.”
”Verder hebben we één multifunctionele bak met water aangelegd, waarin we met de beweegbare bodem en toepassingen zoals wedstrijden en leszwemmen kunnen variëren. Dat bespaart ons de aanleg en het onderhoud van één extra bad met de bijbehorende installaties, terwijl we door een slim geplaatst trommelfilter ook zuinig met water kunnen zijn. Dat scheelt zo'n dertig procent in de jaarlijkse energiekosten. Het bad zelf is een gecoate stalen constructie, die aan de binnenkant wit of lichtblauw gelamineerd is, waardoor het water ook blauw lijkt. In Rusland kregen we van een opdrachtgever een verzoek voor zwarte en goudkleurig wanden, ook dat is zelfs mogelijk. Hier is dat geen optie, want vanwege de veiligheid moeten de badmeesters door het water heen kunnen kijken. Verder denkend hebben we inmiddels op papier ook een CO2-neutraal model met eventueel de gasaansluiting als uiterste back-up ontwikkeld. Die is alleen in noodgevallen nodig. Bedrijfseconomisch gezien kunnen we op dit moment geen duurzamer maatregelen meer vinden.”
Keerwand voor de temperatuur
”Vervolgens hebben we gekeken naar de beweegbare bodem. Dat is niets nieuws, maar we besloten deze wel een kwartslag te draaien van de breedte naar de lengte van het bad. De verstelbare bodem bestrijkt dan drie lengtebanen, waardoor de overige vijf beschikbaar blijven voor bijvoorbeeld baanzwemmers. Dan krijg je een heel groot instructiebad, dat je door lijnen kunt splitsen voor verschillende activiteiten. Aquajoggers trainen op een bodem van 1,40m naast het kinderbadje, terwijl daarnaast de zwemclub zijn baantjes trekt in diep water, bijvoorbeeld. Helemaal niet revolutionair, maar wel functioneel en effectief. Verder is een keerwand in het water mogelijk, die omhoogkomt op het moment wanneer we bijvoorbeeld een deel van het bad een andere temperatuur willen geven. Sommige activiteiten, bijvoorbeeld met ouderen, vereisen iets warmer water. Dat kun je dan heel gericht sturen met minimaal extra energieverbruik.”
Transparantie
”In de plint van het gebouw houden we zo'n tweehonderdvijfenzeventig vierkante meter over, waar je een nadere bestemming voor kunt zoeken. Dit is bij de bestaande projecten op verschillende manieren ingevuld. In Culemborg heeft een fysiotherapeut daar zijn behandelruimte, terwijl Alblasserdam dat als een multifunctionele ruimte voor kinderopvang of voor vergaderingen ingericht heeft. Op de eerste verdieping kom je bij de receptie met daarnaast de keuken en de horecaruimte, de entree en de ruimte voor badmeesters. Een transparante wand scheidt deze sectie af van de waterbak met de kleedhokjes, waardoor we het hele zwembad gemakkelijk met twee mensen kunnen beheersen. Als ieder in één hoek staat, dan bestrijken ze met hun gezichtsveld de volledige ruimte. Door de transparantie is alles in het gebouw te volgen.”
250 vrijwilligers
”Bij het nieuwe bad in het Friese Workum, dat dit jaar opengaat, is een stichting opgezet, die onder andere de inzet van tweehonderdvijftig vrijwilligers gaat organiseren.”, vertelt Sander ten Broek verder. ”Wij adviseren daar met de kennis van de andere zwembaden met dit concept. Het oude zwembad ‘de Rolpeal’ was aan vervanging toe, maar de gemeente had daarvoor onvoldoende budget. Via het burgerinitiatief verminderden de exploitatiekosten, terwijl de 2521-systemen een lager bouwprijs hebben dan de gebruikelijke zwembaden. Dat bracht de nieuwbouw binnen bereik. In Workum hebben we een koppeling gemaakt tussen een nieuwe sporthal naast het zwembad. Daardoor kunnen bezoekers van beide accommodaties en van de voetbalvereniging waarvan de kleedkamers ook in het gebouw liggen, gebruik maken van één horecagedeelte, ontmoetingsruimte en verkeersruimte en besparen we behoorlijk op vierkante meters. In Alblasserdam, ons eerste project, is het zwembad tegen een bestaande sporthal gebouwd, zodat ook daar het horecagedeelte beide accommodaties kan verzorgen.”
Win-win-win-situatie
”Enige tijd terug zijn we gevraagd door de volleybalbond om hen te helpen bij het nadenken over eigen accommodaties voor verenigingen. Zij constateerde toenemende problemen bij de programmering van zaalsporten. Met onze brede achtergrond in het sport- en procesmanagement was de stap naar het slim aanleggen van indooraccommodaties best logisch. Twee jaar geleden maakten we het project 'Meer zeggenschap binnen de eigen accommodatie', waarbij we de nadruk hebben gelegd op samenwerking tussen de vereniging, de exploitant en de gemeente. Zoeken naar een win-win-win-situatie voor alle partijen, die vanuit de individuele gezichtspunten niet voor de hand liggen of zelfs lijnrecht tegenover elkaar kunnen staan. Met de zaalsportbonden zijn we gaan kijken naar de bestaande wedstrijd- en trainingsreglementen die gebouwgebonden zijn. Daarbij stelden we de vraag wat de achtergronden zijn van die regels en zijn ze nog in alle situaties functioneel? Vroeger had iedere bond vaste normen, die uitgingen van een inrichting voor het hoogste niveau in hun sport. Wij vroegen ons vervolgens af of een hal voor een club in de vierde klasse ook twaalf meter hoog moet zijn of is zeven meter ook voldoende?”
Website met de eisen
”Met de zaalsportbonden hebben we vele discussies gevoerd die gevolgen hebben voor de bouw van een accommodatie. Daaruit is een website voortgekomen met alle reglementeringen, die dit voorjaar online gaat. Met één druk op de knop krijgt de bezoeker van de site een programma van eisen te zien vanuit de verschillende takken van sport. Denk aan een gemeente met een handbalclub in de vierde klasse onderbond, eredivisie volleybal, eerste divisie badminton, met daarbij het aantal deelnemende teams. Die kan zo heel snel een advies krijgen aan welke eisen zijn accommodatie moet voldoen op basis van de reglementen van de bonden. Nog te vaak spreken we gemeentes die in hun nieuwe sporthal baskets willen hebben en ook de belijning voor basketbal, terwijl de sport daar niet in clubverband beoefend wordt. Gaan jullie dat ooit gebruiken, vragen we dan. "Misschien wel. " Het zijn wel extra kosten en in onze ogen niet altijd erg effectief. Een ander voorbeeld is de ‘vrije uitloopruimte’ rond de zijlijnen van het veld. Die is van oudsher voor veel zaalsporten anderhalve meter. Intussen gebruiken we allerlei nieuwe, veiliger materialen voor de wanden, waardoor we ons afvragen of die afstand nog wel nodig is.”
Onleesbaar
De website is een instrument om gemeenten te helpen om inzichtelijk te krijgen wat de sportbonden ooit aan reglementering bedacht hebben, legt Ten Broek uit. ”Vroeger hadden deze een aparte afdeling Sportzaken, maar door bezuinigingen is de kennis op het gebied van sport en accommodatie daar flink afgenomen. Het 'handboek Sportaccommodatie' is voor ons als adviseurs al bijna onleesbaar, laat staan dat een architect daaruit een vertaalslag kan maken naar een bruikbaar gebouw. Vaak nemen gemeentes daarom een bestaand model over. Wij willen de keuzes inzichtelijk maken door de consequenties in de bouwkosten daaraan te koppelen. Daarmee zou je ook kunnen kijken of de toevoeging van die bovengenoemde niet-noodzakelijke baskets in de nieuwe hal wellicht toch binnen het budget passen. Dan kun je een weloverwogen afweging maken op basis van de cijfers. Ik verwacht dat we met deze rekenmethode tonnen kunnen besparen op de kosten van een nieuwe hal voor de zaalsporten, maar ook voor het bewegingsonderwijs dat in de afgelopen decennia flink veranderd.”
Gepubliceerd in het vakblad Sportaccom 1-2019 - uitgeverij Arko Sports Media